Om
5u30 kruip ik uit bed, ik zeg wel kruipen, want de veren van de matras
dateren van het begin van vorige eeuw. Of mijn voorganger moest een
kolos geweest zijn van 250 kilo.
Buiten ziet het er niet goed uit. Het houdt voorlopig op met regenen
maar de wind waait hard en de voorspellingen zijn niet rooskleurig. Ik
trek voor alle zekerheid mijn Goretexvest en -broek aan. Ik wil mij niet
in de pletsende regen omkleden. |
 |
| Om
8u15 neem ik mijn ontbijt : een baguette met abricozenkonfituur en een
bol koffie met veel suiker. Ik neem afscheid van de eigenaars en vertrek
om 8u45, richting St. Quentin. |
 |
Ik
verlaat onmiddellijk het asfalt en kom terug op de aardeweg die ik
gisteren al genomen had,maar dan in de andere richting. Na 15 minuten
loop ik de boerderij van boer Seigar voorbij en merk de eerste
Sint-Jacobsschelp op. Ik volg de D8 tot het dorpje Fresnoy-le-Grand. De
hellingen worden langer, het landschap is prachtig. |
| Om
9u15 verlaat ik, juist voorbij Fresnoy-le-Grand, de hoofdweg en loop
naar mijn vooraf uitgestippelde route. Daar bemerk ik terug, en nu om de
200m, een Sint-Jacobsschelp. Ik stop mijn kaart weg en volg blindelings
de Jacobsaanduidingen. In het dorpje Croix-Fonsommes kom ik eigenlijk
tot het besef dat de aanduidingen, al de mooiste plaatsjes van de streek
aandoen en haal mijn kaart en kompas uit. Op dit moment besef ik dat ik
wegloop van St. Quentin. Grommend tegen mezelf neem ik het heft in eigen
handen en keer terug, richting zuiden met kaart en kompas. Rond 11u15,
dus na twee uur schelpjes volgen, kom ik terug op de D8. Ik ben 4km
verder geraakt op twee uur. Na 3uur stappen ben ik nog steeds op 12 km
van mijn einddoel. Normaal moest ik maar 1 uur meer lopen. |
| Ontmoedigd
zet ik mijn rugzak af, eet mijn resterende baguette van deze morgen met
de laatste droge worst en probeer wat te rusten, maar met al het verkeer
naast mij, besluit ik verder te trekken. Tot overmaat van ramp begint
het te regenen. Ik doe mijn rugzak om en probeer mijn poncho er over te
trekken. Het is echt mijn dag niet, gedurende twintig minuten heb ik
geprobeerd dat spul over mijn rugzak te krijgen, maar zonder resultaat.
Moest men mij bezig gezien hebben, ik had zeker de eerste prijs gekregen
van “klungelaar van het jaar”. Dan maar verder zonder poncho. In
Bellecourt verlaat ik terug de D8, het stopt met regenen en ik stap door
de golvende vlaktes naar Remaucourt. Iets verder ontspringt de Somme,
een rivier die ,zoals onze Mark, wel eens buiten haar oevers durft te
treden. |
| Aan
het kerkhof komt een vrouw me vragen of ik een lift wil. Ik leg haar uit
dat ik als pelgrim naar Compostela stap en het doe voor mensen die aan
MS lijden. Met tranen in de ogen, vertelt ze me dat ze de dood van haar
zeven jaar geleden overleden dochter, niet kan verwerken. Ze wil me geld
geven, maar ik weiger.Ik beloof haar een kaars te laten branden in de
Basiliek te St. Quentin. Ze omhelst mij en rijdt wenend weg. Ik verlaat
de vallei van de Somme, maar voor ik de zware helling richting Morcourt
wil nemen wil ik even rusten en mijn laatste suikerwater uitdrinken. Ik
stop aan een kapelletje van OLV van Banneux, zet mijn rugzak af en rust
op de bank. Maar mijn rust is van korte duur. Het hemelwater stroomt
naar beneden. Ik loop naar mijn rugzak, zet hem recht op de bank, trek
mijn poncho er over en kruip er zonder problemen in. |
Onbewust
zeg ik, danke Lieve Vrouwken, en vertrek. Ik zweef over die zware
helling naar boven, in een pletsende regen.
't Zal dat suikerwater zijn zeker ?!Bovengekomen zie ik
St. Quentin liggen. Ik vermoed op nog 6 km. Na een uurtje stappen sta ik
om 17u00 in de Basiliek, waar ik mijn stempel krijg. |
 |
 |
Ik
laat er een kaarsje branden voor Kathy.
Ik heb een kamer, rechtover de Basiliek, en deze avond eet ik entrecôte
met frietjes.
Deze zware tocht draag ik op aan mijn meter en peter. SMAKELIJK. |