| Goed
uitgerust sta ik om 5u30 op en maak me klaar, mijn knie is ontzwollen,
de pijn is weg. Ik heb er goed aan gedaan een rustdag in te lassen, ik
kan er weer volop tegen aan gaan. |
 |
 |
Om
7u betaal ik mijn kamer en vertrek voor een tocht van 10 uur
bergopwaarts, een tocht naar het onbekende. Ik wijk volledig af van de
Camino en ga landinwaarts. Er zijn geen gele pijlen meer die me door de
natuur loodsen, ik heb enkel mijn eigen en de stafkaarten van het
Cantrabische hooggebergte die ik gisteren gekocht heb. |
| Ik
verlaat het centrum en begin een twee uur durende klim door een
prachtige omgeving. Eerst stap ik door loofbossen daarna kom ik in een
rotsachtig gebied. Hoger verlaat ik de bossen en loop ik afwisselend
door weiland en lage struiken. |
 |
 |
Boven
gekomen heb ik 350 meter gestegen en ik rust even uit. Het uitzicht dat
ik hier aanschouw is adembenemend. Recht voor mij de kust met San
Vincente waar ik 3u geleden vertrok en links de besneeuwde toppen waar
ik de komende dagen zal overtrekken. |
 |
| Na
mijn pauze daal ik af naar de vallei van de Rio Nansa en loop door het
dorpje Rabago, het telt amper 8 huizen en een kerkje en ik zie er geen
kat. Het is 11u30 en ik begin honger te krijgen,maar ik heb zo het
vermoeden dat ik de bewoonde wereld voorgoed vaarwel gezegd heb, tot ik
na een relatief vlak parcours langs de oevers van de rivier om 12u30 in
Celis beland. |
| Dit
dorp is iets groter en er is zelfs een café, waar ik binnenstap en een
pint bestel ik vraag of ik iets kan eten en ik mag met de familie achter
in de keuken mee eten. Ik krijg een bord dikke bonensoep en daarna
sardienen gebakken in olijfolie met brood. Ik wijs met duim en
wijsvinger hoeveel mijn kosten zijn maar ik krijg als antwoord dat ze
verheugd zijn een pelegrino zijn dagelijks brood te mogen geven. |
| Ik
leg met papier en potlood mijn reisroute uit en na de koffie bedank ik
de familie en vertrek voor een tweede klim naar Puanteriansa waar ik
normaal ging overnachten maar in het plaatselijk infokantoor zeggen ze
mij dat er geen kamers in het dorpje beschikbaar zijn. |
| Het
is nu 14u30 en ik beslis van door te lopen tot San Sebastian de
Garabandal, een bedevaartsoordje waar in 1961 en 1965 Maria verschenen
is voor 5 jonge meisjes. Ik zit nu op een hoogte van 190 meter en
Garabandal ligt ongeveer op 570 meter hoogte. |
 |
Ik
loop door de ongerepte natuur en krijg het gezelschap van een vos die
gedurende enkele momentjes voor mij loopt en plots wegschiet tussen de
varens en een slang die wegvlucht door de trillingen van mijn voeten. |
 |
 |
Na
een serieuze klim van ongeveer 400 meter onder een brandende zon die
mijn poriën laat openzetten maar gedreven door het bedevaartsoord stap
ik zonder stoppen als het ware dat het dorpje me roept en me de kracht
geeft, tot in het centrum van het oude Garabandal. |
 |
| Zonder
eerst te zoeken naar een slaapgelegenheid loop ik het kerkje binnen en
wordt er overvallen door een devote sfeer die ik moeilijk kan
verwoorden. Gedurende een half uur blijf ik als genageld voor het beeld
van Maria zitten, op die momenten gaat er veel door je hoofd ! De bergen
hebben al iets mythisch maar in dit oord geeft het nog een intensere
beleving. |
 |
Na
mijn kerkbezoek loop ik door tot de plaats waar de verschijningen
geweest hebben en denk aan ons Linda die me voor ik vertrok verwees naar
dit dorpje. Je wordt hier overvallen door de stilte. Ik steek een kaars
aan voor alle mensen en bedank onze Lieve Vrouw dat mijn knie volledig
genezen is. |
|
Ik
stap terug naar het centrum, krijg een kamer toegewezen boven een
souvenirswinkeltje en na mijn avondeten val ik dromend in slaap.
Deze
tocht draag ik op aan mijn jongste zus Linda. |
|
|
|
|
|