De Pelgrimsvalk
De vogel die het logo vormt van deze geweldige tocht
werd niet zomaar als mascotte gekozen. De wetenschappelijke naam van de
Slechtvalk is Falco peregrinus, wat ‘de zwervende valk’
betekent in het Latijn. Deze schitterende roofvogel dankt zijn naam aan de
vaak enorme trektochten die worden ondernomen en ook aan het feit dat de
soort op alle continenten behalve Antarctica als broedvogel voorkomt. De
Slechtvalk wordt beschouwd als één van de meest wijdverbreide vogelsoorten
op Aarde; zij komt voor van de arctische gebieden in het uiterste noorden
van Eurazië en Noord-Amerika tot het uiterste zuiden van Zuid-Amerika,
Afrika en Australië. De broedvogels uit het Hoge Noorden maken ronduit
spectaculaire trektochten: van vogels uit het uiterste noorden van Siberië
is vastgesteld dat ze tot in Zuid-Afrika gaan overwinteren – een
kosmopoliet en wereldreiziger bij uitstek dus! |
|
In het Nederlands heet de soort tegenwoordig Slechtvalk, een naam die verwijst naar het algemene voorkomen van de soort in vroeger tijden. In heel wat andere talen is de verwijzing naar het zwerfgedrag wel nog aanwezig. Zo heet de soort Peregrine Falcon in het Engels, Faucon pélerin in het Frans, Wanderfalke in het Duits en Pilgrimsfalk in het Zweeds. |
|
Het wereldwijde voorkomen van de Slechtvalk wordt verklaard vanuit haar aanpassingsvermogen aan tal van biotopen. De soort kan zowel in bomen als op rotswanden tot broeden komen, van arctische toendra’s tot tropische en subtropische gebieden, van kusten tot hoge berggebieden. Met name buiten het broedseizoen kan de Slechtvalk echt in elk biotoop worden waargenomen. |
|
Als ultieme blijk van haar aanpassingsvermogen is de soort zich de jongste decennia in toenemende mate gaan aanpassen aan menselijke bouwwerken. Hoge gebouwen in steden, hoogspanningsmasten, hoge bruggen en dergelijke meer worden door Slechtvalken gebruikt als uitkijkposten, rustplaatsen en zelfs als broedplaatsen. In heel wat grote steden in Europa en Noord-Amerika komen tegenwoordig Slechtvalken tot broeden! |
|
Slechtvalken zijn bij uitstek vogeljagers. In Europa zijn duiven, eenden en steltlopers vaak geslagen prooien. De jachtwijze is ronduit spectaculair te noemen: van op aanzienlijke hoogte kiest de valk zijn slachtoffer uit, om dan vervolgens over te gaan tot een waanzinnige duikvlucht, waarbij snelheden van 160 tot 250 km per uur kunnen worden gehaald! De prooi krijgt in volle vlucht een slag met de klauwen waardoor hij verwond of zelfs gedood wordt. Slechtvalken zijn weliswaar prachtige staaltjes van aërodynamica, maar ook deze sublieme jachtmachines moeten er zich bij neerleggen dat de meeste pogingen mislukken; slechts ongeveer één stootduik op tien heeft succes. |
|
Halverwege de twintigste eeuw leek er wereldwijd iets akelig mis te lopen met de Slechtvalken. Vooral in Noord-Amerika en Europa namen de aantallen in korte tijd snel af. De boosdoener bleek het ongecontroleerde gebruik van landbouwpesticiden, zoals DDT, te zijn. Deze producten werden in de jaren ’50 en ’60 beschouwd als nieuwe wondermiddelen voor de landbouw, en ze vonden al snel op grote schaal toepassing. De gevolgen waren desastreus: de giftige stoffen werden opgenomen in de voedselketen. Bij soorten zoals de Slechtvalk die zich aan de top van de voedselpyramide bevonden hoopte het gif zich op, met als resultaat dat de dieren fatale voortplantingsproblemen kregen: de eierschalen gingen sterk verdunnen waardoor de eieren voortijdig braken en ook de vogels zelf werden in veel gevallen onvruchtbaar. Een populatiecrash bij Slechtvalken en een aantal andere toppredatoren was het gevolg. Zelfs Slechtvalken uit het Hoge Noorden, waar geen landbouw en dus ook geen pesticiden voorkwamen, namen pijlsnel af. Deze vogels werden immers op trek en in hun wintergebieden volop blootgesteld aan de daar gebruikte giffen; de gevolgen namen ze dan vervolgens mee naar hun broedgebieden. Zo dreigden deze Slechtvalken het slachtoffer te worden van het zwerfgedrag dat hen hun naam had bezorgd… |
|
Gelukkig kon men het tij op tijd keren: men ging over tot het uitbannen van deze toxische stoffen. Sindsdien is gebeurd wat werd gehoopt: de Slechtvalken kropen terug uit hun diep dal. De jongste jaren wordt het herstel meer en meer duidelijk: Slechtvalken zijn niet langer de zeldzaamheden die ze enkele decennia geleden waren geworden. Op heel wat plaatsen kan men opnieuw genieten van deze spectaculaire vogels! |
|
België telde in de eerste helft van de twintigste eeuw meerdere tientallen broedparen, vooral op rotswanden in het zuiden van het land. In de jaren ’70 was de Slechtvalk hier, tengevolge van de genoemde landbouwgiffen, als broedvogel uitgeroeid. Door het ineenstuiken van de noordelijke populaties was de soort ook als doortrekker en wintergast extreem zeldzaam geworden. |
|
Intussen is ook hier de kentering ingetreden. In
1996 keerde de Slechtvalk na ruim twintig jaar afwezigheid eindelijk terug
als broedvogel op Belgische bodem: een paar broedde succesvol in een
nestkast op de koeltoren van de kerncentrale van Doel. In 2003 was dit
aantal reeds toegenomen tot om en bij de 30 koppels – een waar succes!
Enerzijds worden rotswanden in het zuiden van het land opnieuw ingenomen,
maar het merendeel van de paren broedt op menselijke constructies, vaak in
speciaal aangebrachte nestkasten: koeltorens, fabrieksschouwen, kerken,…
In steden zoals Brussel, Gent en Brugge is het tegenwoordig niet
ongebruikelijk om een Slechtvalk te zien overvliegen. |
|
|